Jezus is Dezelfde

Wie is Jezus...?

Drieëenheid of toch niet...?

 

JEHOVAH VAN HET OUDE VERBOND IS JEZUS VAN HET NIEUWE VERBOND

1                                          God heeft Zich altijd, in alle tijdperken, verborgen achter een sluier. Maar toch was Hij al die tijd God. Hij bleef Zich echter verbergen voor de wereld, om Zich te openbaren aan Zijn uitverkorenen, zoals de apostelen van die dagen. Het was God, die daar in Christus sprak.
2                                          Let op: Jehova van het Oude Testament is Jezus van het Nieuwe Testament. Ziet u dat Hij dezelfde God is, die alleen Zijn vorm veranderde?
3                                          Een Baptistenpredikant ginds in Tucson zei me onlangs: "Hoe kunt u zeggen dat Jezus en God dezelfde persoon zijn?"
4                                          Ik zei: "Wel, dat is heel eenvoudig, als u slechts uw eigen gedachten erover loslaat en de Bijbelse zin ervan bedenkt. Het is precies hetzelfde wezen. God is een Geest, en Jezus was het lichaam waarin Hij was versluierd. Begrijpt u dat? Ik zei: "Kijk, thuis, voor mijn vrouw, ben ik haar 'echtgenoot'. Maar ik heb een kleine dochter, Rebekka, voor wie ik 'vader' ben, en ik heb een kleinzoon -zijn naam is Paul en voor hem ben ik 'grootvader'. Ik ben echtgenoot, vader en grootvader. Wel, mijn vrouw kan geen aanspraak op mij maken als haar vader of grootvader. Zij heeft alleen aanspraak op mij als echtgenoot. Mijn dochter kan geen aanspraak op mij maken als echtgenoot of grootvader; zij is mijn kind, ziet u? Toch vertegenwoordigen alle drie 'titels' dezelfde persoon. Zo is het ook met God. Vader, Zoon en Heilige Geest duiden gewoon op de aanspraak die een bepaalde bedeling op Hem heeft. God is immer dezelfde; Hij veranderde alleen Zijn vorm.
5                                          Let erop, wat er staat in Filippenzen 2:6-7. Daar zegt Paulus, dat Jezus het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar de gestalte aan­nam van een mens.
6                                          Nu, het Griekse Woord dat daar voor 'gestalte' wordt ge­bruikt, is en morphe. Wel, en morphe betekent dat Hij Zich veranderde, toen Hij op aarde kwam. Dat Griekse woord duidt iets aan wat niet kan worden gezien, maar wat er toch is. Nadat het veranderd is, kan het oog het waarne­men. Begrijpt u?
7                                          Bedenk, dat toen Elisa in Dothan was, zijn knecht al die engelen daar niet kon zien. En God bracht niet de engelen naar beneden, maar hij veranderde het zien van de knecht. Toen zag hij dat de bergen vol engelen waren, vol vurige paarden en vurige wagens, gelegerd rond Zijn profeet. Hij veranderde alleen zijn gezichtsvermogen; de zaak zelf was er reeds. [2 Kon. 6:8-18]
8                                          Ik probeer u hiermee te zeggen, dat God die er altijd was, nu hier is. Het enige wat Hij deed toen Hij mens werd, was, dat Hij als het ware Zijn masker veranderde. Hij werd en morphe; Hij veranderde Zich van wat Hij was, tot wat Hij werd.
9                                          Het is te vergelijken met een toneelstuk. Vanmorgen haalde ik nog iets aan over Shakespeare. Lang geleden schreef Shakes­peare het toneelstuk ‘Macbeth' voor koning Jacobus van Enge­land. Shakespeare geloofde niet in heksen, maar omdat de koning er wel in geloofde, moest hij er heksen in opnemen. Daarom veranderden ze de rolverdeling.
10                                     Wel, daar speelde één persoon misschien wel drie of vier rollen. En om dat te doen, verwisselde hij steeds van masker. Nu eens speelde hij als hij opkwam het ene karakter en de volgende keer kwam hij op in een andere rol. Toch was het de hele tijd dezelfde persoon.
11                                     Zo deed God ook. Hij veranderde Zich van een vuurkolom tot een mens, om Zich daarna weer terug te veranderen tot de Geest, opdat Hij in de mens mocht wonen: God handelende in een mens, zoals Hij werkelijk was. Jezus Christus was God werkend in een mens, in een man. Dat was Wie dit was. Hij had Zich veranderd; Hij was niet meer de vuurkolom. Die vuurkolom was in de woestijn een sluier geweest, die God voor Israël ver­borg. Hoewel Mozes de vorm van Zijn lichaam zag, was Hij in werkelijkheid heel de tijd verborgen achter deze vuurkolom: de Logos, die van God uitging.
12                                     Nu ontdekken we dat God sinds Pinksteren niet meer handelt in één mens, maar door de mensen heen. Ziet u? Hij handelde toen in één man: Jezus, maar nu handelt Hij via een mens, die Hij voor een bepaald doel heeft gekozen. God in de vorm van een mens. Hij veranderde Zich van de gestalte Gods tot de gestalte van een mens.
13                                     Hij kwam in drie namen, drie 'zoons-namen'. Hij kwam in de naam van Zoon des mensen, van zoon van David en van Zoon van God: drie zoons-namen.
14                                     Eerst kwam Hij als de 'Zoon des mensen', omdat Hij een profeet was. Jehova Zelf noemde Ezechiël en andere profeten ‘zoon des mensen' (Nederlandse vertaling: 'Mensenkind'.) Jezus verwees niet naar Zichzelf als 'Zoon van God', maar als 'Zoon des mensen', want ook hierin kan de Schrift niet worden gebroken. Elk Woord moet blijven wat het is. Zo geloof ik het, dat het er staat op de wijze dat het moet zijn. Niet omdat ik dat zo geloof, maar omdat het het Woord Gods is.
15                                     Let op. Waarom moest Hij toen Hij kwam, komen als 'Zoon des mensen'? Omdat de Heilige Schrift zei dat Hij als profeet zou komen. God zou een profeet voor hen doen opstaan. [Deut. 18:18] Daarom kon Hij Zich, toen Hij kwam, niet de 'Zoon van God' noemen, omdat het die bedeling niet was. Hij was de 'Zoon des mensen', die profeteerde, om te vervullen wat Hij was, en die al de dingen openbaarde die waren gebeurd en die hadden uitgebeeld wat Hij was. In die tijd was Hij op aarde als 'Zoon des mensen'.
16                                     Toen Hij daarna terugkwam, als de Heilige Geest, was Hij de Zoon van God. God is een Geest. Hij was de Heilige Geest, Zoon van God. Door al de gemeentetijdperken leefde Hij als de 'Zoon van God'.
17                                     Straks in het Duizendjarig rijk zal Hij 'Zoon van David' zijn, zittend op de troon van Zijn vader David. Nu is Hij nog niet de Zoon van David.
18                                     Bedenk, dat ze Hem er in het Laodicea-tijdperk uitzetten. En ook dat Hij volgens Lukas 17:30 opnieuw zou worden geopenbaard als 'Zoon des mensen'. de profeet, om de rest van de Schrift te vervullen. De Schrift­plaatsen passen volmaakt samen. Hij is de Zoon des mensen, de Zoon van God en de Zoon van David. Wat betekent dat? Dat het steeds dezelfde God is, die slechts Zijn vorm verandert; en morphe. Het is voor Hem als een groots toneelstuk, waarin Hij die rollen speelt.
19                                     Voor elk ‘bedrijf' verandert Hij Zijn vorm. Toen kwam Hij in de vorm van de Zoon des men­sen. In het tijdperk van de hervormers, van Wesley, Luther, en al die anderen vroeger, ontdekken we, dat ze in allerlei dingen verwikkeld waren geraakt. Precies zoals vroeger de Israëlieten. Zozeer zelfs, dat nu Hij werkelijk als de Heilige Geest verschijnt in de laatste dagen, in het Pinkstertijdperk, zij het verwerpen. Ze deden het zelfde wat Israël deed. Wat doet Hij nu? Hij keert weer terug als Zoon des mensen, en dan daarna als Zoon van David. Ziet u hoe dicht we die tijd genaderd zijn? Zoon des mensen - Zoon Davids en Zoon van God. In het laatst der dagen zal Hij -overeenkomstig Maleachi 4 vers 5 en 6 en al de andere profetieën die betrekking hebben op dit uur- worden geopenbaard als Zoon des mensen. Hij houdt Zich dan niet meer bezig met de gemeente, nadat ze Hem eruit hebben gezet. Hij staat erbuiten en klopt aan de deur... Er bevindt zich daarbinnen nog wat voorbestemd zaad; Hij moet ze bereiken!
20                                     God, als mens, heeft Zichzelf ontledigd. We lezen in Joël 2:28 dat Hij zei: "Daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitstorten..."... Let nu op het Griekse woord 'uitstorten' of 'ontledigen'.
21                                     Nu, als we hier lezen dat Hij Zichzelf ontledigde of uitgoot, dan denken wij - als we de uitdrukking 'uit Zich vandaan gieten' lezen - zoiets, als dat Hij ‘overgaf'. Dat wil zeggen dat er iets uit Hem vandaan ging, dat iets anders was dan Hijzelf. Het Griekse woord kenos betekent niet dat Hij overgaf, of dat misschien zijn arm eraf ging of Zijn oog eruit ging, of dat een ander iemand uit Hem ging, maar dat Hij Zichzelf veranderde.
22                                     Hij goot Zichzelf uit in een andere vorm. Hij nam een ander masker, een andere gedaante. Amen. Niet dat er een ander persoon uit Hem ging, die de Heilige Geest werd genoemd. Hij was het Zelf. Begrijpt u het? Hij goot Zichzelf uit in de mensen. Christus in u! Wat prachtig, wat wonderbaar, te bedenken dat God Zich in het menselijk wezen, in de gelovigen, uitgiet. Uitgestort! Het was een onderdeel van Zijn grote ton­eelstuk, dat Hij dit zo deed. God Zelf, heel de volheid, heel de Godheid was lichamelijk in deze persoon: Jezus Christus. Hij was God en God alleen. Niet een derde persoon of een tweede persoon of een eerste persoon, maar dé persoon; God verhuld in menselijk vlees:
23                                     1 Tim.3:16 “En buiten alle twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; GodElohim...” Hoofdletter, G-O-D, in de Bijbel, en kijk naar wie dit oorspronkelijk verwijst. In het oorspronkelijke stond er: Elohim. “In den beginne schiep Elohim... Buiten alle twijfel, de verborgenheid van Elohim is groot, want Elohim werd geopenbaard in het vlees... En wij betastten Hem: Elohim, versluierd in menselijk vlees. De grote Jehova, die alle ruimte en tijd omvat, werd mens ge­maakt. Wij hebben hem getast: Elohim. “In den beginne was Elohim en Elohim werd vlees gemaakt, woonde onder ons.”
24                                     Waarom? Zo zijn Zijn wegen. Het zijn gedeelten van Zijn toneel­stuk. Zo zou Hij het gaan opvoeren. Dat is Zijn wijze van Zich aan ons te openbaren: als een andere persoon. wij zijn sterfelijk, en Hij weet dat. Ons begrip is dat van ster­velin­gen; verder gaat onze kennis niet. Wij kunnen alleen iets weten, als onze zintuigen het ons laten weten. De rest moeten we door geloof geloven. We moeten zeggen dat er een God is, of we Hem nu zien of niet, want we geloven Hem hoe dan ook, ziet u? Of iets er nu is of niet, we geloven het nog steeds, als God heeft gezegd dat het er is.
25                                     Op deze wijze openbaart Hij -het eeuwige Woord- Zich aan ons. God, Jehova, werd vlees. Precies zoals geschreven staat in Joh.1: 1In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. In den beginne was Elohim en Elohim werd het Woord. Het Woord was Elohim en keerde terug tot Elohim. Ziet u? Het is steeds hetzelfde, maar het ontvouwt zich gewoon.
26                                     Het is als eigenschappen, attributen, die in God zijn. Zo is uw gedachte een attribuut van u. In den beginne wàs Hij, de eeuwige God, zelfs geen God. Hij was de Eeuwige, maar Hij was geen God. (God betekent: ‘een voorwerp van aanbidding') Hij was Elohim, de Eeuwige. Maar in Hem waren gedachten. Hij wilde stoffelijk worden. Wat deed Hij? Hij sprak een Woord en dat Woord werd gematerialiseerd, stoffelijk gemaakt. Wel, dat is het beeld wat u ziet van Genesis tot Openbaringen. Er is niets fout. Het is Elohim die stoffelijk wordt, die Zich materiali­seert. Dan kan Hij worden aangeraakt, getast. In het Duizendjarig Rijk is Hij, Elohim, gezeten op de troon, met al Zijn onderdanen om Hem heen, allen die Hij voorbestemde voor de grondlegging der wereld.
27                                     U kunt het vergelijken met iemand die klokken giet. De ene klok hoort weer anders te klinken dan de andere. Hij gebruikt daarvoor dezelfde materialen, maar voor elk een bepaald meng­sel van ijzer, staal, koper, enzovoorts, om te maken dat elke klok haar eigen klank krijgt.
28                                     Dat is de wijze waarop God het deed komen: Hij vormde het ene tot dit, het andere tot dàt, totdat Hij precies kreeg wat Hij wilde. Zo is Hij ook tot ons neergedaald. God ontsluierde Zichzelf, toen Hij neerdaalde in een vuurkolom. Verder deed Hij het door de profeten heen en later in de Zoon van God. Dat wàs God, dezelfde God, die alles precies ten uitvoer brengt, van volmaking tot volmaking en van heerlijkheid tot heerlijk­heid. Op dezelfde manier gaat het met de gemeente.
29                                     Let erop, dat Hij Zich door de eeuwen heen altijd al zo heeft geopenbaard door Zijn profeten. Eigenlijk waren zij geen profeten; zij waren goden. God zei dat ook. Wat zij spraken, was immers Gods Woord? Zij waren het vlees waarin God was versluierd. Jezus zei Zelf dat zij goden waren in Johannes 10: 35-36 "Gij zegt: Gij lastert, omdat Ik heb gezegd: Ik ben Gods Zoon. Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden? Terwijl Hij hen goden genoemd heeft tot wie het Woord Gods gekomen is…"
30                                     Ziet u dat het God was, die gestalte aannam in een mens die 'profeet' genoemd werd? Het Woord van de Here kwam tot deze man, dus was het in wezen niet de profeet , maar de pro­feet was de sluier, het Woord evenwel dat hij sprak was Gód. Het woord van een mens zou nooit op zo'n wijze kunnen werken. In wezen was het ook geen mens, het was God. Jezus was het Woord van God, in de vorm van een man. Hij werd als een mens be­schouwd. Hij had Zijn vorm veranderd, maar niet Zijn natuur. In Hebreeën 13:8 staat: "Jezus Christus is giste­ren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid." Hij veran­derde dus niet Zijn natuur toen Hij kwam. Hij is altijd die profeet geweest, het hele tijdperk door; steeds het Woord, het Woord, het Woord, het Woord... Zijn natuur kan Hij niet veranderen, maar wel veranderde Hij Zijn vorm. Hebreeën 13:8 zegt: "Jezus Christus is giste­ren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid." Hij veranderde Zijn masker.
31                                     Als mijn kind wordt geboren, verander ik van echtgenoot in vader, en als mijn kleinkind wordt geboren, wordt ik grootva­der. Maar ik zelf verander niet; ik ben nog steeds dezelfde. Dat kunt u vergelijken met God. Alleen de uiterlijke vorm verandert. De natuur veranderde me van een jonge man via een man van middelbare leeftijd, tot een oude man. U verandert slechts uw vorm.
32                                     Zou u kunnen zeggen dat die jongen die daar staat, zestien jaar oud, grootvader was? Hij zou het niet kunnen zijn. Zijn vorm moet worden veranderd. Met een paar jaar is die veranderd en dan kan hij grootvader zijn. Ziet u wat ik hiermee wil verduidelijken?
33                                     Dat het heel de tijd dezelfde persoon is: God. Op deze manier openbaart Hij Zich aan Zijn volk. Hij deed het in het tijdperk van de vuurkolom. Daarin openbaarde Hij Zich aan Zijn volk. In het tijdperk van Jezus openbaarde Hij Zich aan Zijn volk, maar ook in het tijdperk van de Heilige Geest, als de Zoon van God; daarna als de Zoon van David. Hij openbaart Zich altijd op die manier aan Zijn volk. Dat maakt dat de mensen Hem kennen. Hij is versluierd achter iets, maar als u oplet, ziet u dat het steeds op dezelfde wijze gebeurt; het is elke keer dezelfde natuur.
34                                     God was versluierd in Jezus, om het werk der verlossing te volbrengen aan het kruis. God is Geest. Hij kan niet sterven; Hij is eeuwig. Hij moest een masker opzetten, om deze dodenrol te spelen. En Hij stierf; maar Hij kon het niet doen in Zijn God-vorm. Hij moest het doen in de Zoon-vorm, als Zoon des mensen, hier op aarde. Het moest in deze vorm geschieden. Toen Hij terugkeerde op de pinksterdag was Hij weer de Zoon van God. Begrijpt u nu wat ik bedoel?
                                     Uit: De Ontsluiering van God - WMB